STUK geschiedenis

Home » Info » over STUK » STUK geschiedenis

STUK geschiedenis

STUK, EEN GESCHIEDENIS 1977-2015

In het voorjaar van 2015 vierde STUK feest. Al 37,5 jaar begeeft het Leuvense kunstencentrum zich in de artistieke voorhoedes. Een boek (STUK, een geschiedenis 1977-2015; Uitgeverij Hannibal) en een tentoonstelling (Was het nu ’t Stuc, STUC of STUK?; STUK Expozaal) onderstreepten dit tegendraadse jubileum. Tegelijk diende de historische terugblik om even stil te staan en om te kijken, om vervolgens te kiezen voor een nieuwe toekomst als Huis voor Dans, Beeld en Geluid. Toch is zo’n ingrijpende koerswijziging in historisch perspectief allerminst uniek. Zichzelf opnieuw uitvinden zit in het DNA van de organisatie, als een logisch gevolg van de constante zoektocht naar artistieke vernieuwing. Daarom: de geschiedenis van STUK in negen breukmomenten. 

 

1977 – STUDENTENCENTRUM

STUK is begonnen als ’t Stuc, een afkorting van STUdentenCentrum. ’t Stuc verwees naar een rechthoekig universiteitsblok midden op de campus van Sociale Wetenschappen. In de zomer van 1977 hadden enthousiaste studenten het gebouw omgetoverd tot een culturele ontmoetingsplek met een kleine animatiezaal, ateliers, vergaderruimtes, kantoren en een gezellig café. De feestelijke opening vond plaats op 19 oktober 1977. De drijvende kracht achter de verbouwing vormde de Kultuurraad der Leuvense studenten, een van de onderdelen van de georganiseerde studenten- beweging die in de geest van ‘mei 68’ was ontstaan. Hoewel het centrum niet alléén het huis van Kultuurraad was – ook de kantoren van de overkoepelende Algemene Studentenraad (ASR), de Kringraad en de redactie van het studentenblad Veto waren er gehuisvest – stond ’t Stuc al gauw synoniem voor de uitgebreide cultuurwerking die er werd ontplooid. Het programma was divers. Graag geziene gasten waren theatercollectieven als Het Trojaanse Paard, Internationale Nieuwe Scène, Radeis en het Werkteater. Jeugd- en figurentheater en ander – veelal maatschappelijk gëengageerd – theater uit binnen- en buitenland prijkte op de affiche naast film, muziek (rock, folk, jazz, klassiek, hedendaags) en sporadisch dans, cabaret en poëzie. Stuc wilde niet alleen voorstellingen tonen, maar ook activeren om zélf aan cultuur te doen. Studenten konden in Stuc leren zeefdrukken, toneelspelen, stijldansen, balletdansen, pottenbakken, spinnen, batikken, goochelen en rietvlechten. De cultuuropvatting was nog breed. 


1981 – VAN DE NOOD EEN DEUGD

Dat veranderde in 1981. Aan de start van seizoen 1981-1982 presenteerde Stuc – onder de titel Van de nood een deugd – een koerswijziging aan pers en publiek. Vanwege een teruglopende universitaire toelage moest het programma noodgedwongen krimpen. Het nieuwe plan stelde kwaliteit en experiment centraal. In het vervolg zou Stuc voorstellingen uitnodigen (tonen), cursussen organiseren (leren), zelf produceren (maken) en reflectie hierover aanbieden (denken), en dat in vier kunstdisciplines: theater, dans, film en video. Het cursuspakket onderging een grondige af- slanking. Alleen de ‘artistieke’ cursussen theater, dans en video bleven behouden. Stuc zag het als zijn missie om jonge en veelbelovende kunstenaars te ondersteunen in hun streven naar artistieke vernieuwing. En dat waren er in de jaren 1980 heel wat. Een jonge dans- en theateravant-garde was bezig de bühnes te veroveren. Paul Peyskens werd aangeworven als huisregisseur. Jan Fabre, Jan Decorte, Guy Cassiers, Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Joris Lamers (Maatschappij Discordia), Guy Dermul en Willy Thomas (Dito’Dito) en vele anderen vonden in Stuc een plek om te repete- ren en presenteren. In andere steden deden Kaaitheater, Beursschouwburg, Vooruit, Nieuwpoort- theater (nu Campo), Monty en Limelight (nu Buda) iets soortgelijks. Zo ontstond in Vlaanderen een ‘alternatief circuit’ van kleine centra die – in tegenstelling tot de bestaande gesubsidieerde structuren – de vernieuwende artiesten met weinig middelen maar met groot enthousiasme een podium boden. 


1983 – KLAPSTUK WORDT DANSFESTIVAL

Klapstuk begon als een multidisciplinair festival dat Stuc en Het Festival van Vlaanderen van 1978 tot 1981 gezamenlijk programmeerden. Doel was het publiek te confronteren met vernieuwende tendensen in muziek, dans, theater en video en tegelijk te tonen hoe de traditionele grenzen tussen deze kunsten afbrokkelden. Vanuit een verlangen naar meer samenhang met de inmiddels gespecialiseerde Stucprogrammatie werd Klapstuk na de editie van 1981 getransformeerd tot een tweejaarlijks dansfestival. De eerste editie van Klapstuk-nieuwe-stijl in oktober 1983 was een doorslaand succes, met ruim 11.000 bezoekers. Het publiek kon kennismaken met de Amerikaanse postmodern dance, het Duitse danstheater en een jonge generatie Franse en Britse choreogra- fen. Onder meer Merce Cunningham, Trisha Brown, Lucinda Childs, Steve Paxton, Suzanne Linke, Jean-Claude Galotta en andere internationale grootheden stonden in de jaren 1980 op de affiche. Daarnaast toonde Klapstuk vernieuwende Vlaamse choreografen als De Keersmaeker, Fabre, Marc Vanrunxt en Alain Platel. Het Leuvense festival slaagde er zo in om de nieuwe bewegingstaal van de hedendaagse dans te introduceren in een door de klassieke danstraditie gedomineerd Vlaanderen. Klapstuk begon onder de vleugels van Stuc, maar werd in 1986 een aparte vzw. De organisaties bleven nauw samenwerken, zodat Leuven tweejaarlijks veranderde in een mekka voor de dans. 

 

1988 – BEELDCENTRUM

Relatief snel werden de vernieuwende krachten in de podiumkunsten opgepikt en ondersteund door de Vlaamse overheid. Maar wat met film en video? In 1988 besloot Stuc het pionierswerk op het gebied van de podiumkunsten te herhalen op het vlak van de beeldcultuur. Het Leuvense centrum wilde naast een theater- en danshuis ook een ‘beeldcentrum’ worden. Met succes: het beeldprogramma oogstte in heel Vlaanderen waardering en werd een van de uithangborden van Stuc. Een publicatiebeleid en een aanbod van lezingen en workshops gaven nieuwe impulsen aan filmkijken, filmstudie en filmkritiek. Jonge film- en videomakers konden op financiële en infrastructurele ondersteuning rekenen, zoals Johan Grimonprez voor zijn film Dial H-I-S-T-O-R-Y. En uiteraard zorgde Stuc voor een gevarieerd en uitgebreid filmaffiche. Alle genres kwamen aan bod, van documentaire tot experimentele video, van kortfilms tot animatiefilms, van horror tot komedie, van filmklassiekers tot ondergewaardeerde parels uit Hollywood. Grootschalige retrospectieves rond filmmakers als Billy Wilder, Luchino Visconti en Andy Warhol wisten een groot publiek aan te spreken. Dat publiek bestond inmiddels al lang niet meer uit enkel studenten. Ook Leuvenaars en andere geïnteresseerden vonden hun weg naar het vaak unieke Stucprogramma. 


1993 – HET ATELIER

De jaren 1990 waren zoekende jaren. Stuc was niet meer het enige centrum dat vernieuwing en authenticiteit hoog in het vaandel droeg. Het Vlaamse kunstenveld groeide, bloeide en pro- fessionaliseerde. Het model van de kunstencentra werd gemeengoed in kunstenland en voor beginnende kunstenaars lag de lat hoog. Dat bracht Stuc tot de conclusie: ‘Jong talent heeft niet meer in de eerste plaats nood aan een podium waar het zich kan manifesteren (zoals in de jaren 1980), maar vooral aan een stimulerende werkomgeving én het recht om te falen.’ Daartoe werd in 1993 Het Atelier opgericht, een vrijplaats waarbinnen een geïntegreerde aanpak van productie, presentatie en opleiding werd beoogd. Stuc wilde vooral de prestatiedwang wegnemen. Dat leidde tot een groter en langduriger engagement ten opzichte van de kunstenaar, die de ruimte kreeg om te zoeken en te experimenteren. Zowel theatermakers (Tristero, De Roovers, Bart Meuleman) als audiovisuele kunstenaars (Franciska Lambrechts, Johan Grimonprez) genoten in Het Atelier inhoudelijke, financiële, technische en administratieve begeleiding. Klapstuk deed iets soortge- lijks met een Studio voor hedendaagse dans. Choreografisch talent van over heel de wereld kon daar werken aan nieuwe producties (onder hen Meg Stuart, Vera Mantero, Raimund Hoghe, Lynda Gaudreau en vele anderen). Maar waar Klapstuk met zijn festival een tweejaarlijkse publiekstrekker had, verloor Stuc de belangen van het publiek wat uit het oog. Tegelijk met de radicale keuze voor de kunstenaar in Het Atelier besloot Stuc zijn multidisciplinair programma in thematische blokken aan te bieden. Dat liep mis. Het publiek haakte af en de gehoopte subsidiëring bleef uit. Het gevolg was een interne crisis en het ontslag van de artistieke ploeg. 


1997 – ‘OPDAT HET GEZIEN WORDT’

In maart 1997 begon een nieuwe ploeg met een nieuw motto: ‘Kunstenaars maken werk opdat het gezien wordt’. Verbreding en samenwerking werden nu de sleutelwoorden. De kunstenaar bleef een zeer centrale rol vervullen in de organisatie, maar de wens om artiesten inhoudelijk te sturen werd los gelaten. Stuc koos voor een meer dienende rol. Zowel beginnende kunstenaars als gevestigde waarden kregen een podium en/of creatieruimte. Een verruimd aanbod moest een verruimde publieksgroep aanspreken: naast studenten ook cultuurliefhebbers uit Leuven, Vlaams-Brabant en verder. Tekenend voor de nieuwe koers van Stuc was ‘Dubbelspel’. Deze formule bood het theater- en danspubliek tegen een gereduceerd tarief een combinatie van grote zaalproducties (in de Stadsschouwburg) en kleine zaalvoorstellingen (in Stuc) die met elkaar verwant waren omwille van regisseur, gezelschap of genre. Dubbelspel bood een indrukwekkende staalkaart van belangrijke voorstellingen (van onder meer Rosas, Toneelgroep Amsterdam, Needcompany, Les Ballets C de la B) en zorgde tegelijk voor een vermenging van het klassieke schouwburg- en het alternatieve kunstencentrumpubliek. Daarnaast bleef er in Stuc uiteraard ruimte voor artistiek experiment en jonge podiumkunstenaars. In samenwerking met gespecialiseerde curatoren werd bovendien een interessant film- en concertaffiche samengesteld. Multidisciplinariteit bleef voor Stuc een vanzelfsprekend gegeven. 

 

2002 – GROOT HUIS

Tot 2002 bespeelde Stuc verschillende locaties, verspreid over Leuven. Al vanaf het einde van de jaren 1980 circuleerden er plannen om de eigen werking te centraliseren in één goed uitgerust gebouw. Deze plannen raakten echter nooit het stadium van de utopische blauwdruk voorbij. Dat veranderde halverwege de jaren 1990, toen universiteit, stad, provincie en Vlaamse overheid bereid waren te investeren. Architect Willem Jan Neutelings transformeerde het oude Arenberginstituut aan de Naamsestraat (dat voorheen universitaire scheikundelaboratoria huisvestte) tot een eigentijds en veelzijdig kunstencentrum. Tegelijk fusioneerde Stuc met Klapstuk tot STUK. De verhuizing betekende een gigantische schaalvergroting. STUK zette zijn doorgedreven dans- en theaterwerking onverminderd voort, en begon tegelijk aan een systematische uitbouw van de disciplines film, muziek en beeldende kunst. In samenwerking met vzw Fonk startte STUK met dagelijkse filmvertoningen in Cinema ZED. Voor muziek kwam de focus te liggen op de alternatieve pop en rock, naast de succesvolle reeks Jazz op Zondag in het café. Eventjes was STUK (vanaf ongeveer 2003 tot 2006) dé muziekplek van Leuven; de komst van concertzaal Het Depot bracht STUK tot een exclusievere muziekkoers. De start van een werking beeldende kunst paste in dezelfde groeibeweging die STUK na de verhuizing maakte. Vanaf de opening in januari 2002 kwamen jonge Belgische kunstenaars werk maken op maat van de moeilijke Expozaal, later werden juist internationale kunstenaars uitgenodigd om een solotentoonstelling op te zetten. Het publiek volgde de enorme toename van activiteiten. In seizoen 2002-2003 bezochten 72.405 mensen STUK (een stijging van 81% ten opzichte van het laatste seizoen in de oude Stucgebouwen), in 2006 was het aantal bezoekers met 10.000 gegroeid en in 2014 stond de teller op 101.102 bezoekers. 

 

2006 – NIEUWE FORMATS

In het nieuwe gebouw bleef Klapstuk tweejaarlijks plaatsvinden, zij het met een minder unaniem positieve ontvangst dan voorheen. De danswereld was geprofessionaliseerd en geïnternatio- naliseerd. De staalkaartfunctie die Klapstuk in het verleden had vervuld werd onhaalbaar en onbetaalbaar. Daarom besloot een nieuwe STUK-directie in 2006 om het prestigieuze dansfestival stop te zetten. Dat betekende niet dat dans an sich werd opgegeven. STUK zocht en vond nieuwe productie- en presentatieformats. Onder andere door thematische focusweken (Move Me) bleef dans prominent aanwezig in de werking van STUK. Artefact en Playground, twee ‘nieuwe’ festi- vals, maakten de feestelijke dynamiek en energieke gebaldheid van Klapstuk nu waar. Artefact, een festival voor kunst en nieuwe media, bestond al sinds 2003 en groeide in tien jaar tijd uit tot een evenement dat zowel bij het grote publiek als de peergroup in de smaak viel. Leuven, als kennisstad gedomineerd door de universiteit en zijn spin-offs, vormde een ideale context: wetenschap en kunst ontmoetten elkaar hier immers letterlijk. Playground vond voor het eerst plaats in 2007. Dit live art-festival richtte zich op performance vanuit de beeldende kunst, een vernieuwende invalshoek die aansluiting vond bij internationale artistieke ontwikkelingen. Beide festivals speelden in op de trend van hybridisering. Grenzen tussen verschillende kunstdisciplines bleken steeds minder relevant: muzikanten, beeldend kunstenaars of videasten doken op in de podiumkunsten en andersom. STUK verbond niet alleen disciplines en kunstenaars, maar zocht ook naar verbindingen met de omringende stedelijke ruimte in formats als Ongehoord (lezingenreeks over maatschappelijke thema’s) en Common Ground (kunstprojecten in de publieke ruimte). 

 

2015 – HUIS VOOR DANS, BEELD EN GELUID

Vanaf de start van seizoen 2015-2016 profileert STUK zich als Huis voor Dans, Beeld en Geluid. Het vertrekpunt van deze recente koerswijziging vormt een uitgebreide analyse van de Leuvense context, van het model van de kunstencentra en van de ontwikkelingen in de kunsten. STUK is al lang niet meer de enige relevante speler in Leuven. De komst van museum M, Het Depot, OPEK en 30CC zorgden voor een bloeiend lokaal kunstenveld, waarbinnen STUK nu, na intensief on- derling overleg, weer een unieke positie kan innemen. Ook intern had de uitgebreide multidisciplinaire werking van STUK zijn grenzen bereikt, zeker na de enorme groeispurt van het afgelopen decennium. De focus op de domeinen dans, beeld en geluid biedt kansen voor verdieping én verbreding. De functies kijken, denken en doen komen aan bod; het publiek wordt actief betrok- ken. STUK wil zo een gesloten ‘kunstencentra-circuit’ vermijden en juist verbindingen aangaan, ook door intensief samen te werken met lokale en (inter)nationale partners. De banden met de KU Leuven worden bijvoorbeeld opnieuw aangehaald. STUK is allang niet meer het underground studentencentrum van weleer, maar koestert desalniettemin zijn universitaire ontstaanscontext en unieke intellectuele omgeving. 

Marleen Brock september 2015 


MEER LEZEN?

Marleen Brock werkte van 2011 tot 2015 aan een doctoraat over de geschiedenis van STUK. Zij verwerkte haar onderzoek tot een vlot geschreven publieksboek: STUK, een geschiedenis 1977-2015 (Uitgeverij Hannibal; Veurne 2015).