Longreads

Duik dieper in de programmatie van STUK met enkele uitgebreide teksten en longreads, onder meer over de najaarstentoonstellingen van Helen Cammock en Jan Duerinck.

In de context van de solotentoonstelling van Jan Duerinck Support as Supposed
schreef Oriana Lemmens deze omkaderende tekst.


For if one is standing in front of a closed door - It’s not difficult to
browse the internet and find a guideline on how to open a key-closed door
and, likewise, it is not hard to ignore the mandatory sentence we read at
the beginning of these directions: ‘Only open locks which belong to you,
or ones you have been given express permission to open’.

What you’ll read here is - obviously - not an introduction to the ‘art of
lock picking’ as it’s only logic to understand that the guideline has by
no means the intention to explain what will be revealed when the lock
surrenders itself to its intruder: It just isn’t important to know what we’ll
find on the other side of the wall.

But how to approach a work of art that, at first glance, does not seem to
give an indication of the meaning of its existence? To permeate the im-
permeable, we will have to make use of the only thing, the only object in
our access: a hairpin.

Those who still have difficulties containing their curiosity will close
one eye and peek with the other through the keyhole to get an idea of
what lies behind, yet, they will merely get a vague and confined image of
a spectrum. Another way not to seem ‘desperate-to-know’ is to resist the
dive (deep deep dive) into a symbolical interpretation of this seemingly
small and futile tool, as it will tell us nothing about the way to handle
it best and, finally, to click the lock.

The/A solution here could be a delineation of the object’s ordinary nature
as art gives us the capacity to traverse materialities. The formal existence
of this pin, with its characteristic 180-degree bend after which the curves
in mountain roads are called, is determined by its purpose, its function to
fix, to attach, to model.

What if a form is repeated, the same, but different? Fluctuating its usabil-
ity, scale, pliability - balancing between the functional and the ornamen-
tal? How far can you go from the object’s original mold to the point in
which the object’s conceptual meaning completely changes? What about
the idea of space in relation to the attached and the unattached? And does
it all end when the hairpin becomes a wall
itself: a concrete, impervious, almost conceptual caricature?

We wonder – repeatedly pinning, deforming, and fiddling the lock, but
then realize, only when it is silent you can hear the pin drop.

Verandering door dialoog

INTERVIEW HELEN CAMMOCK, naar aanleiding van haar solotentoonstelling Beneath the Surface of Skin in STUK
tekst Karla Vanraepenbusch


‘Mijn behoefte aan conversatie, aan het maken van kunst en aan het bewerkstelligen van verandering komt niet alleen doordat ik veel onrecht heb gezien, maar er waren gebeurtenissen en ervaringen die ik had, waardoor ik dat onrecht wou rechtzetten’, vertelt Helen Cammock. De Britse kunstenares praat over haar kunst, haar inzet voor maatschappelijke verandering en haar interesse voor gemarginaliseerde stemmen. ‘Mijn kunstwerken gaan niet alleen over mijn stem, maar ook over die van anderen, stemmen die vaak niet worden gehoord.’

Beschouw je jezelf als een activistische kunstenaar?

Ik wil dat het werk dat ik maak verandering teweegbrengt. Anders zou ik geen kunst maken. Maar ik weet niet of ik mezelf zie als een activistische kunstenaar. Wat ik echt wil, is een dialoog op gang brengen. Ik hoef niet perse het beleid te veranderen. Mijn activisme gaat over de langzame bewegingen die nodig zijn om echt duurzame verandering teweeg te brengen. De politiek slingert van de ene bocht naar de andere, en de media duwen mensen van de ene naar de andere mening. De enige manier om echte veranderingen op lange termijn teweeg te brengen, is door middel van dialoog, mensen die oog hebben voor elkaar en met elkaar praten. Dus het is eerder een langzame vorm van activisme, die niet focust op een specifieke verandering.

Komt die interesse voor dialoog voort uit je praktijk als maatschappelijk werker?

Nee, ik denk dat ik gewoon zo ben. Als tiener maakte ik deel uit van de antinucleaire beweging en van de anti-apartheidsbeweging. Ik had veel gevoel voor rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, deels omdat ik, of mijn familie, dat had meegemaakt, maar ook omdat ik het overal zag. Mijn vader, die in de jaren zeventig en tachtig één van de weinige zwarte magistraten was, zette zich in om een verschil te maken. Als tiener schreef ik een liedje over het Greenham Common Women’s Peace Camp, genaamd Women at the wire, dat ik bij optredens speelde. Dat soort bedenkingen nam ik mee in alles wat ik deed. Het maatschappelijk werk was een expressie van de persoon die ik toen al was.

Zijn er gebeurtenissen in je leven geweest die een blijvende invloed hebben gehad op je kunst?

De gebeurtenissen die een blijvend effect hebben gehad, zijn de vormen van racisme die ik als kind en tiener heb meegemaakt, of het nu grote incidenten waren, zoals omringd worden door een
groep skinheads die om elf uur ‘s avonds op een treinperron tegen me schreeuwden, of microagressies, waar ik vaak mee geconfronteerd werd. Al die gebeurtenissen stapelen zich in je op, tot je ofwel ontploft, afstand neemt, of besluit om er iets mee te doen.

In je kunstwerken geef je uitdrukking aan de moeilijke en potentieel traumatische ervaringen die je hebt gehad. Waar blijf je de kracht vinden om kunst te maken?


In al mijn projecten zijn gemarginaliseerde ervaringen aanwezig. Daar moet voor mij dus intrinsiek iets herstellends aan zijn, anders zou ik het niet kunnen blijven doen. Ik denk dat het er net om gaat om onder woorden te brengen dat dit de ervaring is van sommige mensen, van mij, maar ook van anderen. Wat me interesseert is hoe de menselijke geest zich door tegenslag heen kan slaan. Het leven kan moeilijk zijn, en het kan bijna onmogelijk lijken om daar doorheen te komen, maar de menselijke geest is ongelooflijk krachtig. Ik wil het niet romantiseren, maar er schuilt ontroering en poëzie in hetgeen dat ontstaat uit ontbering.

Identificeer je je met die gemarginaliseerde stemmen?

Ja, natuurlijk. Ik weet op welke manieren mijn stem marginaal is, maar ik weet ook op welke manieren mijn stem bevoorrecht is. Ik weet dat het allemaal erg relationeel is. Één van de dingen die ik altijd tegen mijn studenten zeg, is dat het belangrijk is om te weten wie je bent als je een kunstwerk maakt. In al mijn verschillende werken ben ik een andere persoon. Toen ik bijvoorbeeld naar Noord-Ierland ging, was ik iemand die een universitaire opleiding had gevolgd aan een Engelse instelling, die met een Engels accent sprak en die werd blootgesteld aan de Engelse pers. Maar er waren ook verbanden. Als kind fluisterde mijn vader in mijn oor dat wat er in Noord-Ierland gebeurde vergelijkbaar was met wat er met zwarte mensen op veel plaatsen in de wereld gebeurde. Het is dit idee van het relationele dat me interesseert.

Hoe gebruik je die ideeën over stem in je praktijk als kunstenaar?


Voor mij gaat het vooral om de manier waarop stemmen worden uitgedrukt. Soms klopt het gewoon dat we inderdaad rechtstreeks iemands stem horen. Andere keren komt hun stem op
een andere manier tot uiting: via een lied, via een beeld of via iets dat ik heb geschreven als reactie op wat zij hebben gezegd. Maar ze zijn steeds aanwezig. Mijn praktijk is multidisciplinair in de zin dat het film, performance, drukwerk en schrijven combineert. Ik gebruik graag verschillende registers. Het ene medium drukt beter uit wat ik wil zeggen dan het andere. Dan voel ik me daar toe aangetrokken.

Wat betekende het voor je om de Turner Prize te winnen, een prestigieuze prijs voor Britse beeldende kunstenaars?

Het is een erkenning dat mensen die functioneren binnen de context waarin je werkt, vinden dat je iets bijdraagt, en dat was belangrijk voor mij. Het andere positieve is dat, als je eenmaal iets gewonnen hebt, mensen veel meer bereid zijn om een risico met je werk te nemen. Een negatiever aspect was de wedstrijdcomponent. Wij, de vier genomineerden, besloten om de prijs en het geld te delen. Het idee dat één persoon, één gemeenschap, één idee meer waarde had dan een ander, was iets dat ons niet interesseerde. We wilden een statement maken over de waarde van het collectief. We wilden naast elkaar staan, in plaats van de ander naar beneden te duwen. Het ging niet eens om het prijzengeld, want zoveel is dat niet. Het ging om wat er gebeurt als je die erkenning krijgt, over hoe die erkenning je als kunstenaar ondersteunt, de gesprekken die je kan voeren met curatoren, dat je serieus genomen wordt en dat je misschien vertegenwoordigd wordt door een kunstgalerie die je praktijk ondersteunt, in plaats van les te moeten geven of een miljoen andere baantjes te moeten hebben. Het is mijn hoop dat die kansen meer gedeeld kunnen worden.

Waarom wilde je eigenlijk kunstenaar worden?

Ik wilde oorspronkelijk geen kunstenaar worden. Wat ik wilde, was stoppen met mijn job als maatschappelijk werker. Er werd zoveel bezuinigd. Ik had het gevoel dat het steeds moeilijker werd om mijn beroep daadwerkelijk uit te oefenen. Het leek alsof de mensen die ik hielp gedoemd waren om te falen, vooral ouders die probeerden te voorkomen dat hun kinderen zouden worden weggehaald. Noch de ouders, noch de kinderen, kregen een eerlijke kans. Het was tijd om iets anders te doen. Ik had geen creatieve uitlaatklep toen ik uit de band was gestapt waarin ik speelde, dus probeerde ik fotografie. Ik had altijd graag foto’s genomen. In mijn werk met jonge mensen gebruikte ik al wegwerpcamera’s om over hun ervaringen te praten. Dus volgde ik een cursus fotografie aan de universiteit. Ik bracht hele zaterdagen door in de donkere kamer. Het was er stil. Ik ontwikkelde mijn films bijna als in een trance. Het voelde als een pauze na al die jaren werken. Een professor van het
Royal College liet me weten dat hij van mijn werk hield en les aan me wou geven. Ik had nooit gedacht dat ik een masteropleiding zou volgen.
Eigenlijk had ik helemaal geen plannen. Wie weet, misschien was ik wel bruidsfotograaf geworden. Maar alles viel gewoon op zijn plaats. Het was dus niet mijn bedoeling om kunstenaar te worden,
maar om iets creatiefs te doen dat me uit het zware werk zou halen. Fotograferen gaf me de ruimte om op adem te komen.

Nietsdoen is een daad van verzet maar ook een daad van zorg.

Helen Cammock

Je film They call it Idlewild gaat over het belang van nietsdoen. Hoe integreer jij nietsdoen in je kunstpraktijk?

Dat is een moeilijke vraag, want nietsdoen heeft lang geen rol gespeeld in mijn leven. Eerst werkte ik als maatschappelijk werker, daarna ging ik naar de kunstacademie, studeren en werken tegelijk, en dat bleef ik doen tijdens mijn master. Daarna probeerde ik een atelierpraktijk op te zetten en werkte ik voor een liefdadigheidsinstelling die fotografie en film gebruikte als een middel voor maatschappelijke verandering. Ik heb de laatste tien jaar consequent tussen de vijfenveertig en zestig uur per week gewerkt.

Er was niet veel ruimte in mijn leven voor nietsdoen, en dat had invloed op veel dingen, waaronder mijn persoonlijke leven. Misschien was ik een van de weinigen die opgelucht was toen de lockdown werd aangekondigd. Het betekende dat ik even een pauze kon nemen. Eerst dacht ik dat ik wel nieuw werk zou maken, maar dat was niet zo. Ik kon niets doen, ik kon niet lezen, ik kon geen werk maken. Ik denk dat ik gewoon even moest nietsdoen. Ergens in mijn hoofd, besefte ik: ‘Het is genoeg geweest’.

Waarom vind je nietsdoen zo belangrijk?

Mijn film gaat over de noodzaak van nietsdoen om ideeën te laten ontkiemen, om gedachten te laten bezinken. Het heeft iets meditatiefs, iets reflectiefs. Het is een ruimte van niets, waarin je geest, en je lichaam, toch in beweging blijven. Je geest stopt eigenlijk nooit. Die is altijd aan het werk, of je je er nu bewust van bent, of niet. Het kapitalistische idee dat we enkel arbeiders zijn, zaait verdeeldheid. Sommige mensen worden gezien als waardig voor het kapitaal dat ze verdienen, sommige mensen worden gezien als harder werkend dan anderen, of er nu wel of niet meer inkomen is voor wie het hardst werkt. Al die noties zetten alleen maar aan tot competitie en tot een vals gevoel van meritocratie. Hoe kan er ruimte voor creativiteit ontstaan, als we altijd maar nadenken over wat we moeten produceren? Nietsdoen is een daad van verzet, maar ook een daad van zorg. Mijn kunstproject gaat over de relatie tussen veerkracht en verzet. De wereld waarin we leven, is niet ingericht om voor ons te zorgen. We moeten ons daartegen verzetten.